Wandelaars in Praag (Irene Postma)

WANDELAARS IN PRAAG (ŠIROKÁ)

Hij met petje, dikke buik, een snor.
Zij vermoeide ogen, ook uit vorm.
Een jaar of zeventig, of meer, wie weet.
Hij houdt haar bij de hand, hij neemt haar mee:
Twee kleine mensen in een vreemde stad.

Ooit was een dag van plagen en gelach,
Van steelse kusjes in het verse gras,
Van rennen naar elkaar en heerlijkheid,
Van woning zoeken, kinderen, goed gesprek.

Wie heeft er weet van hoeveel jaar en leed
Maar ook van alle liefs dat was en is
Nog altijd, zichtbaar in die hand die houdt.