Mijn mela (Bert de Jong)


MIJN MELA

Ik ben in een andere wereld geschoven. Ik fiets niet; ik zweef. De huizen zijn onherkenbaar in de dichte nevel. Ze deinen dreigend mee met elke trap die ik doe.
Zou dit de hemel zijn, waar men zingt op blijde toon? Het is meer de hel, eindeloos en leeg. Hemel en hel in één. Dat zal het zijn. Er tussen in. Verstikkend.
Ik heb mijn denken niet meer in bedwang, Als ik merk mijn huis voorbij te zijn gereden, lukt het vat op mezelf te krijgen.
Binnen is ook alles anders. Stoelen, tafel, piano, televisie, boekenkast, computer, bureau zijn me vreemd geworden.

Waar en hoe is het begonnen? We waren op bezoek bij Ton. “Ik heb een lelijk ding laten weghalen”, meldde T. Hij stroopte zijn broekspijp op en showde met een pleister op zijn been. “Ik weet al zeker dat het goed is”, stelde hij ons gerust.
“Gefeliciteerd”, zeiden Mieke en ik gelijk.
We hieven het glas. Ogenblik stilte. Toen sloeg Mieke de rust aan diggelen: “Maar jij hebt toch ook zo iets achter op je been zitten?”
“Is dat zo?” Ik was me de moedervlek amper bewust: het bekijken van jezelf van achteren is een inspannende bezigheid.
Als kind had ik een grote rode vlek op mijn billetje. Mijn oudste broer lachte me uit. Het kon me niets schelen. Je blote bil mocht toch niemand buiten de voordeur zien; mijn geheim, waarop ik trots was, omdat mijn moeder had gezegd dat ik de vlek met mijn geboorte had meegekregen, was veilig. Het billetje groeide met mij mee; de rode vlek niet en verdween.

Ik showde de plek achter op mijn kuit. Met twee stemmen vóór werd ik naar de huisarts verwezen. Na twee dagen was ik bij hem. Hij sneed de moedervlek uit mijn been en stuurde het weefsel op. “Voor de zekerheid”, zei hij, “maar het heeft niet veel te betekenen.”

Het was rustig toen ik in het gezondheidscentrum zat te wachten op de uitslag. De minuten sleepten zich voort. De huisarts stak zijn hoofd door een kier van de deur en zei: “Ik kom zo bij u”, zoals de ober, die het druk heeft dat ook zegt. Eindelijk wenkte de arts me.
Toen begon de wereld te wankelen. Hij vertelde me dat de moedervlek kwaadaardig was. Hij vervolgde: “Vandaag nog maak ik in het ziekenhuis voor u afspraken met de dermatoloog en de oncoloog .”
Ik knikte toen maar wat. “Hij is met het naarste karwei van de week bezig”, dacht ik.
Verder kwam ik niet met mijn gedachten.
De huisarts verduidelijkte: “Het is een kwaadaardige melanoom”.
Ik gaf hem een hand en verdwaalde in het gezondheidscentrum.

Op het bureau thuis ligt mijn telefoontje. Ik moet Mieke een sms sturen. Als ik het apparaatje met moeite in mijn hand neem, komt alles in het interieur weer op de juiste plaats. Ik tik tot mijn verbazing direct foutloos het volgende:
L. M., Hechtingen eruit. Het is niet goed. Huisarts maakt afspraak voor behandeling in ziekenhuis. B.

De kamer is weer normaal. Ik loop naar de piano en speel. Het is een solfeggio van Philip Emanuel Bach. Een solfeggio is een zangoefening. Mijn solfeggio is een melodie die woorden overbodig maakt. Woorden hebben geen zin meer. Twee keer speel ik het. Daarna loop ik naar mijn bureau en zet de computer aan. Ik voel me gedwongen, erheen gestuurd. Waar had die dokter het over? Het begon met mela…In de Googlebalk toets ik de vier letters. Google weet wat helpen is. Mela brengt helderheid. Op het scherm verschijnt een lijst van artikelen over de melanoom. Dat is het. Dat heb ik. Mijn mela, mijn melanoom.

Het melanoom is van mij en het neemt mij niet in bezit, beloof ik mezelf. De dikte van de melanoom is de belangrijkste voorspellende factor is. Bij mij moet er diep worden gesneden? Meer dan twee milimeter over de kritische grens heen. Een simpele millimeter is een kwestie van leven en dood. Je kunt beter Russische roulette spelen. Dat verneem ik via Google.

Mieke slaapt slechter dan ik. Ze ziet een zee van zorgen op zich toestormen. De dermatoloog heeft met een zwarte viltstift aan de achterkant van de kuit mijn gedegenereerde moedervlek, mijn mela, mijn melanoom, mijn maligne melanoom afgetekend. Het lijkt een pikzwarte tatoeage in de vorm van een raket met twee dreigende punten in de richting, waarheen de kwaadaardige cellen zich kunnen bewegen. Een raket? Mijn melanoom doet meer denken aan een tijdbom, die niet meer te stoppen is.

Aan de medische mallemolen is niet te ontkomen. Ik vind me terug op een smalle onderzoektafel, waarvan je bij de geringste beweging af valt. Mijn radiologische specialiste schuift me onder een supercamera, die is ingesteld op mijn poortwachtklier en de actieradius van de kwaadaardige cellen registreert. Ik kan mijn hoofd niet bewegen. Mijn gezichtsveldveld is beperkt tot een fotocollage op het plafond met een fraaie dieptewerking. Ik blik de hemel in. Er zweven blote engeltjes rond. Over de rand kijken historische figuren langs dikke pilaren, die het hiernamaals schragen, hooghartig op mij neer.
Aan het eind van de sessie krijg ik een enveloppe mee, die niet dicht is geplakt. De medische wereld wil niet geheimzinnig zijn. Dat wordt lezen. Je wordt er niet geruster op. De foto’s verraden dreigende oplichtende rode vlekken. De hoogleraar heeft, aldus zijn verslag, het volgende waargenomen: “Sentinelnode in de rechterlies, tenminste twee overloopklieren hoger gelegen.”
Nog meer risico, is mijn conclusie.

De volgende morgen rijden we door het donker over het besneeuwde en gladde plaveisel naar het ziekenhuis. We komen veilig aan. De receptioniste loopt met ons het complex in en bepaalt ons al pratend bij het gewone leven. Niettemin verbeeld ik me dat ik getuige ben van mijn eigen begrafenis. Ik word verder weg gevoerd van de wereld, waarin ik meer dan tachtig jaar mocht leven.

Mieke begeleidt me. Op de verpleegafdeling nemen we afscheid. Ik blijf achter in een wereld waarin niets gewoon is. Het voorstel me totaal te laten verdoven, sla ik af. Mijn nieuwsgierigheid wint het. Ik geef de voorkeur aan een ruggenprik. Wat ze ook met me doen, ik zal er bij zijn.
Het meemaken van deze happening, valt echter tegen. Je ligt plat; ter hoogte van je borst is een zeildoek gespannen. Een blik in de hemel is me niet gegund. Wel zie ik in een blinkende rondgebogen apparaat schuin boven me een beweging weerspiegeld: de handen van de chirurg bij het rood van de wond. Nog nooit heb ik me zo betrokken gevoeld bij welk filmpje ook.
Er is mij nog meer gegund om te zien. Na de behandeling in de lies is mijn melanoom aan de beurt. Het onderste deel van mijn lijf is niet alleen pijnloos; het bestaat niet meer. Maar ik zie boven het afschermzeil mijn bloedeigen been in de lucht hangen, bloot van lies tot teen. Dat been behoort aan mijn bovenlijf vast te zitten. Daar ben ik zeker van. Na de ruggenprik kon ik geen beweging meer krijgen in mijn benen. En dan hangt mijn been daar boven het zeil stuurloos in de ruimte.
“Het been daar is van mij”, schreeuw ik.
“Geen twijfel”, bevestigt de anesthesist, die mij bewaakt. “Uw krijgt uw been weer terug”, belooft hij.
Ik ben daar niet zeker van.

Als de operatie voorbij is, komt chirurg en oncoloog In ‘t Hoff (ik begin zijn naam met eerbied te schrijven) om de hoek van het zeil kijken. Hij is vermomd. Ik herken zijn ogen en probeer erin te lezen wat ik wil weten.
Terug op de verpleegafdeling heb ik geen besef van tijd meer. Mijn horloge heb ik nog niet terug. Ik moet plassen. Dat vindt de verpleging een gunstig teken. Om te demonstreren dat het mij ernst is, ga ik dwars op het bed zitten en laat mijn benen bungelen. Het was me al gelukt mijn onderbroek zonder dat de verpleging het merkte weer aan te trekken. Ik had het onmisbare kledingsstuk onder het kussen van mijn bed verstopt om het snel paraat te hebben. Wat er ook mocht gebeuren.
Mijn been heb ik terug. De dingen worden weer normaal. Van een begrafenis is geen sprake. Omdat het plassen gelukt is, mag Mieke gebeld worden. Ik ben aangekleed en daar komt ze lachend binnen achter de rolstoel, waarin ik plaats mag nemen.

Thuis is er een verrassing. Ze heeft een nieuw scheerapparaat gekocht, zeker nog goed voor twintig jaar.
In de hal van het appartementsgebouw staat een kerstboom van kunststof, behangen met de kaarten van de bewoners, waarop de beste wensen zijn geschreven. Onze kaart is er niet bij. Wij doen niet mee aan deze jaarlijkse rite en komen niet aan de verzending van welke kaart toe.
Het besneeuwde Weerwater buiten verbeeldt zich een kerstkaart te zijn.
Mijn denken gaat niet langs de vertrouwde banen. Ik vraag me af of een mens verandert door de directe dreiging van de dood. Word je prikkelbaarder, onverdraagzamer? Geïsoleerder? Nog meer in jezelf gekeerd? Ik raadpleeg mijn oudere en wijzere broer, die zijn werkzaam leven lang chirurg was. We komen tot de conclusie dat we leven in de tijd van de verlenging van de voetbalwedstrijd. Straks is ons misschien blessuretijd gegund. Een melanoom stort je in onzekerheid en ervaar je als onrechtvaardigheid. Wat wil je? Statistieken liegen niet. Ze troosten evenmin.
We wachten de 22e december af. We moeten ons bij de chirurg melden. Hij weet alles; hij beslist. Niemand anders. Hij zal vertellen hoe het verder zal zijn. Hij is God. Of de Heere Jezus, die op de dag des oordeels op de wolken zal verschijnen en decreteren of je in de hemel wordt opgenomen of in de buitenste duisternis geworpen. Dat is mij op de gereformeerde lagere school in Beilen geleerd. De mooie blauwe luchten met scherp afgetekende wolken maakten mij bang. Jezus zou op de rand van die hoge wolken gaan staan. Niets zou hem ontgaan. Ik vluchtte toen het huis in en maakte me onzichtbaar. Geen hel. De hemel hoefde ook niet. Ik had het best zo.
Ik geef mijn chirurg met deze herinneringen teveel eer. Hij heeft A-viertjes in zijn bezit, van het laboratorium. Daar is het weefsel van mijn maligne melanoom in plakjes gesneden, getest en op kweek gezet.
Gemeten en becijferd. Meten is weten.
Meten is leven.
Het Laboratorium is de Voorzienigheid.
De chirurg is boodschapper en middelaar.
Woensdag 22 december is de dag des oordeels.

Naarmate de dag nadert, (het is overmorgen) wordt het wakker worden moeilijker. Als ik me in die vroege uren weerloos voel, gebeurt het soms dat ik weer in slaap val. Ik zit in een grote examenzaal. Deze morgen is het wiskunde. Bij mijn tafeltje meldt zich de huisarts. In mijn dromen zijn de figuren dikwijls wazig en onherkenbaar. Nu geen twijfel. Het is hem. Hij heeft de uitslag van het onderzoek en wil het mij uitleggen. Ik vermaan hem stil te zijn. Je praat niet hardop tijdens een examen. De man hindert me. Mijn slagen voor het examen hangt af van een goed cijfer voor wiskunde. Een acht moet het worden. Ik probeer hem duidelijk te maken dat wat hij te vertellen heeft over anderhalf uur nog hetzelfde zal zijn. Dan is het nog vroeg genoeg om alles te weten. Als ik opkijk, zie ik hem in de verte uit de zaal verdwijnen.

Dit is dan de dag. Mieke is er vanmorgen niet meer. Ik vind haar in de huiskamer achter haar computer met de eeuwige patiencekaarten op het scherm. Het is een beeld van hopeloze triestheid. Over het Weerwater hangt een rouwsluier van mist. De overkant is niet meer te zien.

Je kunt je het laatste oordeel anders voorstellen. We zitten op harde stoeltjes voor het bureau van Van ’t Hoff. Geen inleiding. Geen aanloop. Geen overbodige woorden. Hij zegt het alsof het over het buitenzetten van de vuilniscontainers gaat of over het sneeuwvrij van de stoep:
”Ik heb goed nieuws. Alles is in orde. Er zijn geen problemen.”

Goed nieuws. Het dringt niet tot me door. Ik heb een afweermechanisme geactiveerd. Als hij gezegd zou hebben: “Het is niet zo goed. Uit onderzoek is gebleken..” of zo iets, zou het ook niet tot me zijn doorgedrongen. Momenten later bedenk je: ”Hij heeft gezegd dat hij goed nieuws heeft. Het is goed. Het is goed.” Je herhaalt het voortdurend.

Na het ziekenhuis loop ik de markt op om paté en boerenworst te kopen. Ik moet het iedereen vertellen. Het uitschreeuwen. Tegen de man van de worst wil ik zeggen: “Ik kom net uit het ziekenhuis en daar hadden ze goed nieuws voor me. Het onderzoek heeft uitgewezen, dat ik geen kanker heb. Er is geen gevaar meer bij.” Hij zou het zeker hebben begrepen. Ik ben van de kwaaltjes van hem al op de hoogte.

We rijden naar huis. Het Weerwater is geen dreaming-of-a-white-Christmas-kaart meer, maar echt als het leven.

Reageer (alles openbaar behalve email adres):

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *