Onvoorwaardelijke liefde (Henk Fonteyn)

ONVOORWAARDELIJKE LIEFDE
Uit het dagboek van een (aanstaande) vader

Zondag 3 december 2017, 1e zondag van Advent

Rose had me haar toestemming gegeven. Vanmorgen, na afloop van de kerkdienst, zou ik het vertellen. Natuurlijk wist iedereen het al. Maar nu mocht het hardop uitgesproken en gevierd worden! De mannen van Kumbungu hebben me uitbundig gelukgewenst. Oom Stephen haalde zijn dondo uit de hut en we hebben gedanst en gezongen onder de oude baobab. Dat het kind van Kwame en Rose maar voorspoedig ter wereld mocht komen! Dat hij – dat het een hij zou worden leek niemand te betwijfelen – een zegen voor zijn familie mocht zijn! Dat hij zou mogen studeren en dokter of computerprogrammeur zou worden! Of profvoetballer bij Ajax, Barcelona, Bayern of Manchester United! Dat hij op zijn beurt zijn broertjes en neefjes kon laten studeren! Dat hij zijn ouders een goede oude dag mocht bezorgen! Dat hij een gelovig steunpilaar van de First Church of the Redeemer mocht worden! Ik onderging het allemaal met een verlegen grijns. Rose en ik hebben onze eigen dromen. Iets meer bescheiden. Maar ik betrap mezelf erop dat ook in mijn dromen altijd een zoon voorkomt. Een zoon die van mij het vak zal leren. Die net als ik geen rust zal kennen eer de motor van de stokoude Isuzu van dominee Assante weer regelmatig spint. Die de voertuigen van zijn cliënten niet alleen rijdend houdt, maar ze ook nog eens poetst tot ze blinken. En dan zie ik het nieuwe uithangbord boven mijn werkplaats al voor me: Wumbee & Son! Car Health with Gods Help!

Kumbungu is mijn geboortedorp. Een verzameling lemen hutten waartussen de guinea fowl scharrelt. Lapjes grond waarop yam en mais wordt verbouwd, wat geiten die zich voeden met het schrale groen dat aan de rode aarde ontspruit. Elektriciteit is er niet. Vlees bewaart men tegen bederf door het te laten leven tot de dag waarop het voor de maaltijd is bestemd. Het slachten van zo’n geit is een plechtige gebeurtenis. Niet iedereen beheerst die vaardigheid, maar Big Man, een reus van een kerel van wie niemand zijn doopnaam nog weet, is een expert. Als kind heb ik vaak ademloos toegekeken hoe hij – ondanks zijn enorme gestalte een man van delicate gebaren – bijna eerbiedig het mes op de keel van zo’n dier zette. En ik had altijd de indruk dat zo’n dier zich dan gewillig overgaf. Alsof het besefte dat het door te sterven anderen in leven hield.
_____________________________________________________

Rose en ik hebben ons na de bruiloft in Tamale gevestigd. We zijn stadsmensen geworden. Met Gods hulp heb ik mijn garagebedrijfje kunnen opzetten.“Kwame met de gouden handjes”noemden ze me in Kumbungu al. De brommer van de imam, de fiets van de schoolmeester, de Landrover van Joe, de cynische Amerikaanse zendeling die na zijn pensionering in Kumbungu is blijven wonen, allemaal wist ik ze rijdend te houden. Mede dankzij een oud studieboek over de werking van de verbrandingsmotor dat ik van de Amerikaan gekregen had. Joe heeft me ook geholpen de Engelse taal onder de knie te krijgen. Met steun van mijn vader en ooms kon ik in Tamale een kleine werkplaats openen. Het is hard werken! Weliswaar rijden er in Ghana veel aftandse voertuigen rond, maar de meeste mensen in de provincie hebben niet veel cedi’s te besteden. Maar God zij geprezen, we hebben een woning en we hebben te eten. En wanneer we zaterdagmiddag naar Kumbungu rijden om de avond en de zondag bij onze familie door te brengen, is de achterbank van mijn oude Toyota volgestouwd met producten uit de supermarkt in Tamale, waar je op het dorp vergeefs naar zoekt. Dan voel ik me de rijke stadsjongen!
_____________________________________________________

Op het pleintje waaraan mijn werkplaats ligt, staan de talrijke taxi’s en tro-tro’s op passagiers te wachten. Daaromheen scharrelen mensen hun dagelijkse kostje bijeen met de verkoop van bananen, pakjes ananassap of flesjes water. Bedelaars zijn er ook. Tientallen. Verlamden en eenbenigen die hun onwillige lijf op krukken voortslepen. Blinden met hun dode ogen, hun oren gespitst op de nadering van voorbijgangers. Sommige bedelaars komen wel eens een praatje bij me maken als ik aan het werk ben. Ik heb meestal wel een fles water staan waarmee ze hun dorst kunnen lessen. Veel tijd heb ik niet voor ze. En al weet ik dat een christen moet omzien naar de hongerigen, ik kan me niet permitteren om hun meer te geven dan een slok water. Nu al zien mijn neefjes verwachtingsvol op naar hun rijke oom Kwame. Ik heb immers een eigen zaak? Zo is onze traditie: je leeft van en voor je familie! _____________________________________________________

Eén bedelaar houdt me soms uit mijn slaap. Ik schat hem hoogstens zestien jaar oud. God heeft in zijn ondoorgrondelijke wijsheid hem een gebochelde rug gegeven. Bovendien is zijn linkerbeen wel tien centimeter korter dan zijn rechter. Hij strompelt over straat, een ruwe houten kruk onder zijn linker oksel. Schuw zoekt hij de randen van het plein, hij kijkt niemand in de ogen. Maar toen onze blikken elkaar een keer kruisten, schrok ik van de intense wanhoop die erin te lezen stond. Die blik houdt me wel eens wakker.
_____________________________________________________

Wij Ghanezen houden van God en krijgen geen genoeg van zingen en bidden. Op zondag trekken wij een hagelwit overhemd aan, strikken een stropdas en schrijden met een grote zwarte Bijbel onder de arm naar een van de talrijke kerken. Onze vrouwen dragen hun mooiste, uitbundig kleurrijke jurken. En we loven Jezus en God de Vader tot we buiten adem zijn. We zijn een vroom, vrolijk, veerkrachtig en goedlachs volk. Maar we kunnen niet zo goed omgaan met wat gebroken en gehavend is. Als ik ’s nachts die jongen met zijn bochel voor me zie, word ik bang van mijn eigen gedachten. Onze dominee zegt altijd dat we moeten geloven als de kinderen. Maar Joe, de voormalige zendeling, heeft me wel eens verteld dat hij zijn geloof in Afrika is kwijtgeraakt. “Kwame, als God werkelijk onze Vader is, moet er schande over hem gesproken worden! Hij zorgt niet goed voor zijn familie!” Ik wilde dat eigenlijk niet horen, maar die woorden zijn in mijn hoofd gekropen.

Zondag 18 februari 2018, 1e zondag in de 40 dagentijd

Ik slaap toch al niet zo best. De dag van de geboorte nadert.  Rose verblijft de komende veertig dagen bij haar moeder in Kumbungu, want daar, in de kring van de familie, zal ons kind geboren worden. Zelf ben ik op zaterdag geboren. Op “kwame”, in onze taal. Bij mijn doop, op de achtste dag na mijn geboorte, kreeg ik mijn christian name: Timothy. Maar iedereen is me altijd Kwame blijven noemen. Voor onze zoon (zie je wel, ik kan me gewoon geen dochter voorstellen!) heb ik ook al een naam bedacht: Boaz. “Man of power” betekent dat, zegt onze dominee. Een steunpilaar voor de kerk en voor zijn familie.

Goede Vrijdag, 31 maart 2018

Vannacht werd er op mijn deur gebonsd. Telefoon hebben we niet. Het was Joseph, een dorpsgenoot uit Kumbungu. Hij was op zijn brommer door het donker naar Tamale komen rijden. De geboorte was begonnen! We zijn in mijn oude Toyota zo snel mogelijk teruggereden. Ik weet niet waar we onderweg over gesproken hebben. Ik weet niet eens meer hoe ik in Kumbungu gekomen ben. Toen we aankwamen, brak het eerste zonlicht door. De vrouwen van het dorp stonden rond de hut van mijn schoonouders. Maar wat waren ze stil! De chief wenkte me. Mijn mond werd droog. Mijn hart sloeg op hol. Ik voelde hoe ik begon te zweten, en tegelijkertijd sloeg een intense kilte me om het lijf. “Kwame,” zei hij, “je bent een goede zoon voor je vader. Nu moet je een goede vader voor je zoon zijn. Ga maar. Ik weet dat je zult doen wat nodig is.”
_____________________________________________________

Rose lag op een matras in de hoek van de hut. Haar moeder zat naast haar en zong een klaaglijk lied van eeuwen oud. Rose wilde me niet aankijken. In een mandje naast haar bed lag ons kind. Onze zoon. Ik wilde hem zien! Ik wilde hem optillen en in mijn armen nemen! Ik wilde hem tonen aan de hele wereld! Maar ik wist dat ik dat niet zou doen. Zwaar van bange voorgevoelens boog ik me over het mandje en zocht de ogen van mijn zoon. Ogen die niet terugkeken. Dode ogen.  Mijn zoon was een geboren stakker, een toekomstige bedelaar! Geen man of power, maar een last voor zichzelf en zijn familie. Nooit zou hij later met trots voor mij en Rose kunnen zorgen op onze oude dag. Maar hij was mijn zoon, mijn zoon van wie ik nu al zoveel hield! Met een onvoorwaardelijke liefde! Ik wist wat de chief bedoeld had. En terwijl de tranen me over mijn gezicht stroomden, pakte ik een kussen, drukte het op zijn gezichtje en hield het daar, tot ik geen beweging meer voelde…