Een oude dame aan de telefoon (Laura Reedijk)


EEN OUDE DAME AAN DE TELEFOON

1   ‘Er is toch nog veel aardigs. Ik kom nog buiten, wandel nog en doe boodschappen, maar je kunt niet veel meer hebben. Ik zou eigenlijk een lijst moeten maken van de dingen die ik heb, naar wie ze na mijn dood toe moeten. Mijn zuster is ook al oud, dat wil ik haar niet allemaal aandoen. Ik moet het zelf regelen en ik kom er niet toe. Ik ben vaak moe en dan zit ik maar zo’n beetje voor me uit te staren.
Vandaag heb ik een drukke dag, we hebben met het koor gezongen – we zingen zondag in de kerk – en vanmiddag was de gespreksgroep.
’s Avonds lees ik wat in de krant of ik kijk televisie. Zo nu en dan komt meneer A. bij me eten en ik daarna ook bij hem. We scrabbelen na het eten. Hij eet bij meer dames hoor. Laatst was het zulk slecht weer, hij bracht me thuis en toen zei hij: ‘Daar woont een dame bij wie ik ook eet en scrabble.’ En hij schijnt er meer te hebben. Maar hij kan helemaal niet goed scrabbelen en hij houdt zich ook niet aan de spelregels. Dat zei ik tegen hem en toen zei hij dat die andere dames dat ook niet deden. Maar ik zal het hem de volgende keer zeggen dat ik me er wel aan wil houden hoor.
Hij kookt niet maar maakt eten uit pakjes en blikjes. Laatst had hij aardappelpuree uit een pakje; het leek wel stopverf, hij had het zeker niet goed aangemaakt. Ik kreeg last van mijn maag. De volgende keer zal ik maar voorstellen als hij aan de beurt is: ‘Zullen we bij de Chinees gaan eten?’
Ik heb dat eens per telefoon aan een kennis van me, een heer die wel eens iets voor me doet, voorgesteld: ‘Mag ik je fuiven; zullen we bij de Chinees gaan eten?’ Het bleef heel lang stil aan de lijn. Maar hij heeft mijn uitnodiging toch aangenomen. Het was erg gezellig. Later belde hij op en zei, alsof ik al dood was, dat hij er een heel prettige herinnering aan had. Daarop heb ik gezegd: ‘Als die herinnering vervaagd is, zullen we dan nog eens gaan eten?’

2  ‘Tegenwoordig heb ik iedere morgen als ik wakker word het gevoel dat ik examen moet doen. Dat had ik vroeger nooit, maar toen was Francien er nog. Het is gekomen sinds zij in het verpleeghuis lag en natuurlijk helemaal nadat zij gestorven was.
Het is een drukkend gevoel, iets van paniek. Ik vind het oud zijn een grote opgave. Het is iets anders als ik weet dat ik die dag iets heb, een afspraak met iemand of als ik boodschappen moet doen en er even uit ben.
Ik word gelukkig ook vaak opgebeld: Heb je vandaag iets? Kom je even bij me? Veel mensen vinden het prettig als ik even kom, maar die praten alleen maar over anderen en over hun eigen zorgen, maar ja, ik zit daar dan en voel me dan toch ook nuttig. Ik kan me absoluut niet voorstellen dat ik al zo oud ben, maar ik voel het dan toch, vooral door dat gevoel dat ik examen moet doen. In de loop van de dag gaat het gelukkig weer over, maar je wordt er wel moe van.
Ik vind het zo gek dat ik de dingen die ik me voorneem niet doe. Ik neem me al zolang voor om die brieven nu eindelijk eens te schrijven, maar ik kan er niet toe komen. Ik heb toch eigenlijk niets te doen, maar wat ik móet doen, doe ik niet en dan is het avond en dan is de dag weer voorbij en dan denk ik: Nu heb je die brieven nog niet geschreven en ik neem me dan voor het de volgende dag meteen te doen, maar dan komt m’n hulp en dan gaat het weer niet of ’s middags belt iemand op en dan stel ik het weer uit. Hoe zou dat toch komen?’

3  ‘Ik heb het gevoel dat ik de verhuizing naar het verzorgingshuis misschien niet zal overleven. Dinsdag ga ik over. Maar misschien kom ik er helemaal niet. Ik had het tien jaar eerder moeten doen, toen ik nog flink was. Het is ook zo moeilijk dat ik alles alleen moet beslissen, wat weg kan en wat niet. Gelukkig helpen mijn hulp en haar man met van alles.
Zij hebben het opklapbed met ombouw en de matras en een paar dekens en een kussen weggebracht naar de meneer die wel eens iets voor mij doet. Hij woont dichtbij. Hij wilde dat graag hebben. Ik zei tegen hem: Is dat niet wat voor jou? Hij zei dat hij ervoor wilde betalen, maar hij is daar later niet meer op teruggekomen. Ik heb zo gelachen.
De boeken zijn opgehaald door een christelijke boekhandel, behalve de antieke. Dat meisje wilde alles hebben, behalve ‘Het Derde Oog’, een boek door een Tibetaanse monnik. Daar heb ik veel van geleerd over mannen met elkaar en zo, ik wist nergens van! Geen wonder dat ze dát niet wilde kopen.
Vanmiddag komt de dierenarts om mijn poes te laten inslapen. Hij is al 17 jaar en heeft ergens een gezwel, zijn jas is heel slordig en hij ziet er treurig uit, hij is ook uit zijn doen door de verhuizing. Ik zal hem erg missen, maar ik heb er vrede mee.
Ik heb een mooi uitzicht vanuit mijn nieuwe kamer. Ik zit hoog en kijk uit op het park, er staan grote bomen. Ja, er is natuurlijk maar weinig kastruimte en het keukentje is ook heel klein, maar ik krijg warm eten van het huis. Er is ook een badkamertje, tenminste een douche. Ik kan gelukkig nogal wat planten kwijt voor het raam. Van mijn meubels heb ik veel weg moeten doen. Als bed neem ik het logeerbed mee. Dat is smal en het is net hoog genoeg. Breder is niet nodig, want ik lig toch recht op m’n rug met m’n voeten over elkaar heen. Ze kunnen me zó laten liggen.’

Reageer (alles openbaar behalve email adres):

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *