Een kleine revolutie (Sjoerd Hoekstra)

oude_muur

EEN KLEINE REVOLUTIE

Tijd voor het dorpsfeest. Na de periode dat de gewassen zijn gezaaid, gepoot en maanden aaneen verpleegd, kruipt de ontspanning uit de aarde omhoog. Boeren en arbeiders zijn het onkruid de baas. Het is wachten op de oogst. Het vuur van de smid is gedoofd. Even geen paarden beslaan. Deze dag zal de klok van de kerk wel zijn uren slaan, maar niet om het werk kort te onderbreken. Deze dag is tijdloos. Nou ja, vanaf melkenstijd vanochtend tot aan het aftasten van de gespannen uiers om vier uur in de middag. De ongewoonte daartussen vult zich met vreugde.
Een eind verderop voegt de feestwagen van de gereformeerde school zich in de stoet. Paard en wagen naderen nu de oprit van de hervormde school, waar de versierde wagen met hervormde kinderen wacht om zich in de rij te voegen. ‘Wacht even’, roept de voorman van die school, ‘wij gaan eerst’. Of de gereformeerde menner dat niet hoort of vindt dat hij eerst was, wordt niet duidelijk. De gevolgen wel. De hervormde voorman Oostra pakt het gereformeerde paard bij de toom en houdt het tegen. Het paard steigert. Met een schok komt de wagen tot stilstand. De kinderen vallen van hun bankjes en schrikken erg. De hervormde menner trekt op en rijdt vóór de gereformeerde wagen in de stoet. Met enige ruimte, dat wel.
De omstanders, hoewel behorend tot beide kampen, spreken er schande van. ‘Dit is revolutie’, roept een man met wat gevoel voor drama of zin in onzin. Oostra verontschuldigt zich later een beetje door te zeggen, dat het gereformeerde paard dreigde uit het spoor te gaan en dat hij wel moest ingrijpen. Het wordt meesmuilend aangehoord.
Het woord ‘revolutie’ blijft hangen, als een poes die miauwend boven in een boom zit. Hij durft niet naar beneden en zit daar licht klagend. Het dorp weet daar wel een antwoord op: het beest komt vanzelf naar beneden. Maar dit keer gaat het wel heel langzaam.
‘Revolutie’ had Europa al lang in de greep. De standenstaat met zijn eenzijdige machtsverdeling, stemrecht gekleefd aan grondbezit, kreeg last van houtworm. ‘Vrijen, horigen en slaven’, het kon zo niet blijven. De slavernij was al eerder afgeschaft. Omdat Friesland geen horigen kende, waren er dus alleen maar ‘vrijen’. Maar de ‘landadel’, de boeren met eigen grond, voelden zich wat meer vrij dan de anderen, de pachters, gardeniers, middenstanders en arbeiders. Ook in de kerk deelden vooral de bezitters de lakens uit, niet alleen de tafellakens voor het avondmaal. En ze deden dat goed en met liefde. Ze zorgden voor de gebouwen, gaven voor de diaconie, bestuurden de kerk als kerkvoogd en ouderling. In elk rijtje namen van colleges sprongen de namen van een vijftal families naar voren. ‘They rule the country’. Ach wie moest het ook anders doen. Die anderen hadden geen geld en geen overwicht.
Zulk overwicht is ook wel eens merkbaar bij de smid. Komt een arbeider van een grote boer met drie paarden bij de smid, dan kan het ene dier van de gardenier toch wel even wachten? De naaister geeft voorrang aan ‘grote’ boerinnen, en prikt daar niet doorheen. Zo is dat ongeveer.
Tot een andere ‘revolutie’ het dorp bereikt, in de vorm van de doleantie (dolerenden=klagenden). De ‘opstand’ van de kleine luiden, de pachters en de arbeiders, speelde overal. Binnen en buiten de kerk. Je hoort bij de kerk, daar ben je ‘in-geboren’, net zoals in je gezin. Dus is de hervormde kerk met zijn aan bezit gekoppeld stemrecht, de baas in het dorp. Maar veel mensen zijn het beu om verschillen in stand en grote verschillen in macht nog langer te bezien als een eeuwigdurend feit, zoals verschillen tussen vork en lepel altijd zullen blijven. Het gaat langzaam en eerst ondergronds. Hier dus niet op de barricades met vlaggen en geroep op het dorpsplein, maar wel op kerkelijk terrein. Heel plechtstatig.
Maar waarom toch? Ze doen het toch zo goed, hebben het beste voor met iedereen. Zij zijn het toch maar, die in het benodigde geld voorzien? Zij hebben de kennis en het gezag, generaties lang opgebouwd. Dat er ook zonen en neven op stoelen worden geplaatst vanwege erebaantjes en bepaald niet om de kennis of het gezag, is hun wel eens ontgaan. Dat het natuurlijk gezag geleidelijk in macht is veranderd, wordt niet aangevoeld. Daar willen mensen in het dorp nu wel eens vanaf. Zijn zij minder belangrijk? Moet datzelfde groepje families ook zondags de dienst uitmaken, dominees benoemen en kandidaten selecteren voor de kerkenraad? Het gevoel dat het zo niet hoort, gaat zich vertalen in verzet. De doleantie is landelijk begonnen als een poging om te grote verschillen in belijden in de kerk weg te werken. Hier, in het dorp, wordt de doleantie een mogelijkheid om het smeulende verzet een smoel te geven. Als dan alles is uitgekristalliseerd, blijkt dat de revolutie bestaat uit het stichten van een nieuwe kerk. De families met stemrecht zijn in de ‘grote kerk’ achtergebleven, met een groepje getrouwen. Het ‘volk’ gaat naar de Gereformeerde kerk, met vrolijke dominees en weinig poeha. Een eigen kerkgebouw komt er snel, met als opschrift ‘Eben Haëzer’, (een tekst uit het Bijbelboek Samuël: ‘tot hiertoe heeft de Heere ons geleid’). ‘Samuel was here’.
Maar als zo’n nieuwe kerk gaat beklijven, komen er ook predikanten die de begrenzing nastreven. En zo is er een Gereformeerde school ontstaan, omdat de ‘hervormden’ hun eigen school willen blijven besturen met eigen mensen. De gewelddadige revolutie in Frankrijk ‘verslond zijn eigen kinderen’. In het dorp wordt het over de hoofdjes van kinderen uitgevochten: twee scholen, een Hervormde school en een Gereformeerde school. De openbare school wordt vermorzeld tussen de twee en is dus het kind van de rekening.
Zijn er grote verschillen? Ach nee, niet in belijdenis althans. Dus moet er wat worden gezocht. Is er toch een beetje vrijzinnigheid bij de eermalige broeders te bespeuren? Of dweperigheid bij de vroegere zusters?
De kerkelijke verhoudingen bepalen ook dat jongens en meisjes beter niet iemand uit het andere kamp kunnen benaderen. Het is niet de enige ‘afstand’. De ‘afstand’ van jongens en meisjes in verkerings- en verlovingstijd is sterk omgeven met bakens van ‘pas-op’ en ‘ga niet te ver’. Een meisje vraagt haar verloofde eens – althans zo gaat het verhaal door het dorp- om zijn geboortekaartje. En jawel, daar staat op…….’een welgeschapen zoon’. En daaronder ‘alles wel’. Ze kan gerust zijn, het zit wel goed.
Allengs komt een soort twee stromenland. Met een gebruiksaanwijzing: Als jij je niet met míj bemoeit, blijf ik baas op mijn eigen terp en jij op de jouwe.
Twee smeden, twee schilders, vijf bakkers, twee slagers, men bedient mensen van het eigen houtje. Een nieuwe mores ontstaat. Strakke leefregels bij de Gereformeerde kerk. Men wil vrij zijn. ‘In gebondenheid’, zegt men. Maar revolutie houdt een keer op. Wie doet de eerste stap?
Het bestuur van de Gereformeerde school neemt kennis van de afwijzing van de Hervormde school op hun verzoek om iets gezamenlijks te doen. Ach, men heeft het wel verwacht, zolang die oude voorzitter daar maar blijft zitten.
Een volgend agendapunt is de jaarlijkse schilderbeurt. De voorzitter stelt voor bij beide schilders een offerte te vragen, waarbij het karwei aan de laagste zal worden gegund. Dat blijkt uiteindelijk de ‘hervormde’ schilder. De onzichtbare breuklijn, zo zorgvuldig gehandhaafd, al jaren lang, wordt doorbroken. Het bestuur is niet wijs, is de meest milde klacht: de hervormden zouden er niet aan denken ‘onze’ gereformeerde schilder te vragen hun school te verven. Verwijten ontstaan, vooral uit de grote familie van de schilder, hofleveranciers van kinderen aan de school. Het bestuur besluit een extra ledenvergadering uit te schrijven. Na toelichting over de ‘zuiverheid’ van het besluit, luwen de vlammen. Een hervormde boer begrijpt de achtergrond en vraagt de gereformeerde schilder zijn woonhuis en schuur te verven. Het helpt. Het smeulend vuur dooft langzaam.
Maar daar blijft het niet bij. De verkiezing van ambtsdragers voor de Gereformeerde kerk is aanstaande. Eén van de tweetallen bestaat uit de voorzitter van het schoolbestuur en het hoofd der school. De laatste ziet de bui hangen en stelt voor zich terug te trekken. ‘Niet met mijn instemming’, zegt de voorzitter, ‘ik vind dat ons besluit goed was. Anderen mogen daar een oordeel over geven. Hij krijgt dit keer maar weinig stemmen, hoe gewaardeerd hij ook was geweest tijdens een eerdere ambtstermijn. Het dorp neemt even wraak. Daarna kan men weer verder. De revolutie luwt. Gesprekken over een samengaan van de beide scholen komen later weer op gang. Ontvolking en afnemend kindertal blijkt een nog sterker middel dan een schilderbeurt. De scholen gaan samen en bouwen een nieuw schoolgebouw met frisse kleuren.
De poes is veel eerder naar beneden gekomen. Zij en haar nageslacht zorgen er voor dat de muizen op tijd worden gevangen. Want het gaat om het bewaren van de oogst.

Reageer (alles openbaar behalve email adres):

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *