Trein en troost (Bert de Jong)

TREIN EN TROOST

Op de pagina met rouwadvertenties zie ik haar naam. Daar staat ze. Het overvalt me deze zaterdagmorgen in de intercity op weg naar Schiedam.
De laatste jaren is bij me de gewoonte ingeslopen de pagina met de overlijdensberichten het eerst in de krant te raadplegen. Dat heeft met m’n leeftijd te maken.
Een iPad kan niet liegen. Op het schermpje turend valt mijn oog op de Friese naam, die me bekend voorkomt en die ik vroeger grondig verfoeide: Siep. In kapitalen en een groot korps wordt zijn doopnaam vermeld: SIES. Alsof dat een mooie naam is. Daaronder in onderkast en slechts enkele punten kleiner zijn nog minder welluidende roepnaam: Siep. Geen twijfel, hij is de dode, die wordt betreurd. Het zij zo.
Vervolgens in de kleine lichte broodletter van de advertentie, nauwelijks leesbaar op de iPad, springt haar naam als een felle lichtflits eruit: Ina. Ik ben verblind. De trein is niet meer en wat verder in de dikke weekendkrant staat is van geen enkel belang. De advertentie kleeft aan het scherm vast.
De psalmregel De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken staat bovenaan, gevolgd door de mededeling: God nam tot zich mijn innig geliefde man, onze lieve vader en geweldige opa… Niet meer en niet minder.
Zo word je in de christelijke advertenties het leven uitgeluid.
Ook de Fries Siep uit Heerenveen.

***
De banken van de klas van de HBS in Hoogeveen stonden in drie strakrechte rijen. Zij zat in de middelste rij schuin achter mij. Ik zou om de minuut hebben gekeken. Dat meen ik me te herinneren. Ze had een rok aan en hield haar benen met kniekousen over elkaar zodat het bloot van haar dijen te zien was. Mijn gegluur ontging haar niet. En het wonder geschiedde. Het was een wonder. Hoe verlegen ik ook was en meisjes als schepsels van een andere planeet beschouwde (thuis waren er alleen maar jongens), de verkering kwam aan. Ineens waren daar de briefjes en bleek schriftelijk vastgelegd te zijn dat we van elkaar hielden en dientengevolge met elkaar gingen. Kattebelletjes op stukjes papier uit de schoolagenda of schriften gescheurd. Documenten waren het, kostbare stukjes tekst met de overgave en vroomheid van een middeleeuwse monnik geschreven, duizend keer gewichtiger dan welke flodderige e-mail of sms van thans.
In één van haar eerste briefjes schreef ze: “Ik zal ook wel eens een keertje een eind met je mee fietsen tot aan het bos. Maar ik weet niet of mijn moeder het goed zal vinden”.
Als we fietsten bereikten we het beschuttende bos niet. We raakten elkaar amper aan. Althans niet met de bedoeling het niet bij dit contact te laten. Wel praatten we veel samen (‘bomen’, heette dat) en constateerden dezelfde problemen te hebben, waarvan de anderen niets begrepen. Zo meenden we. Zij vertelde over akelige dingen thuis. Ik begreep dat direct; maakte ongeveer hetzelfde mee. Het grote gezin; moeder altijd moe; vader opvliegend; nooit kon er iets.
We ontdekten van elkaar, (het was een geheim dat we bangig bewaarden) dat we de leerboeken van de school te leen kregen, omdat onze vaders als onderwijzers niet zoveel verdienden. Dit was ook de reden, waarom wij twee in den regel hoge cijfers haalden. Voor de gratis boeken moesten we een zeven gemiddeld halen. Deze lotsverbondenheid moet onze verhouding verstevigd hebben.
De trein raast verder. Het is een drukke eerste dag van de vakanties. Er is geen plaats onbezet. Het ontgaat me. Ik reis alleen in de wereld van vroeger.
Na de HBS-tijd verwaterde het contact. We schreven af en toe. Na jaren kreeg ik een brief, waarin ik haar weer herkende. De inhoud herinnerde me aan onze gesprekken over het doel van het leven; over de liefde voor elkaar en de naaste, wie dat ook kon zijn, niet te vergeten.
Kort na het schrijven van deze brief overleed ze bij de geboorte van haar derde kind. Nee, ik ontving geen rouwkaart en er stond geen advertentie in de krant. Ik hoorde het, toen ze al begraven was. In haar laatste brief schreef ze, dat haar derde kindje geboren zou worden. “Ik zie er weer zo tegen op en ik voel me zo moe.” Ze moet, toen zij dit schreef, haar einde voorvoeld hebben. Het eindeloze, dat Ina in die brief wist over te brengen, heb ik weten te bewaren.
De trein stopt in Leiden. De normale wereld dient zich net op tijd weer aan en ik stap over op de trein naar Schiedam.
Ze ging met die Siep. Wat zag zij in die Fries? Ina hoorde bij ons! Over de provinciegrens heen had ze hem leren kennen. Wat had ze daar te zoeken? Ze ging met Siep naar de voetbalwedstrijden van Heerenveen, nota bene op zondag. Ze aanbad us Abe, de Friese voorloper van Cruyff. Ze stond, liet ze ons weten, op een mooie zomeravond op het achterbalkonnetje van de stoomtram, die in Friesland reed en beleefde daar romantische momenten. Alsof wij geen “hijgend hert” kenden, dat dagelijks door de plaats daverde.

***
Die ene regel in de advertentie: “5 jaar getrouwd geweest met Ina Veldman…” Daarachter het jaartal van haar overlijden: 1958.
Dertig jaar werd ze.
Met moe Veldman – zo duidde ze haar moeder aan – heb ik nog contact gehad na het sterven van Ina. De familie woonde naast de HBS en soms kwam ik er in de HBS-tijd over de vloer. Ik mocht moe graag. Geen lelijk woord over Siep. Waarom zouden we?
“Eigenlijk hadden jullie met elkaar moeten trouwen. Dan was het beter met haar afgelopen.” Zei moe Veldman. Ze wilde dit aan mij kwijt. Wat doe je daar mee? Misschien was het tussen ons ook slecht afgelopen. Een scheiding kan je als een ramp overvallen. Mogelijk was het juist goed geweest tussen ons. Het gaat zoals het gaat. Het is zoals het is. Je bent wie je bent.
Na de regel, waarin Ina wordt genoemd, lees ik in de advertentie “56 jaar getrouwd met Sieta Nauta”. Vervolgens: “Wij zijn intens dankbaar dat hij zo lang bij ons was.” Ik tel op. Siep was 61 jaar in de echt verbonden, waarvan vijf jaar met Ina. Dan moet de diepe
dankbaarheid ook gelden voor deze jaren en hun eerdere tijd van het
Heerenveense stoomtrammetje.
Mijn trein scheurt door de tunnel van Delft en nadert Schiedam.
In rouwadvertenties mag niet worden gelogen. Zo wordt over Siep gedacht, zo was hij, zo is hij geweest. Ik wil in die diepe dankbaarheid delen. De nabestaanden van Siep laten dat weten. Er wordt in de advertentie een correspondentieadres met postcode vermeld. Geen email-adres. Een brief op de post doen? Mijn rouwbeklag zal van ver komen en een vreemde indruk kunnen maken.
De gedenkdienst wordt over een paar dagen gehouden in de Hoofdstraatkerk, lees ik, een statige en indrukwekkend gereformeerde kerk, die vroeger in de goede tijd voor de kerken nog stampvol zat. Zou Siep in staat en maatschappij zo belangrijk zijn geweest, dat hij voor zijn gedenkdienst een hele kerk nodig heeft? Of zal een zijzaaltje, waar ik ooit ter catechisatie ging, de bescheiden plaats zijn van het definitieve afscheid?
Nostalgie is mooi, is fijn. De Hoofdstraatkerk roept gevoelens op. Ik ben nieuwsgierig, maar ga er niet heen. Je moet niet overdrijven.
Maar Siep ben ik dankbaar. Dat heeft de advertentie, waarvan het lezen een reis lang duurde, me geleerd. Ik loop lichter door Schiedam.
Aan het slot van het kunst-evenement neem ik, zoals na een begrafenis of crematie een onversneden, jaren geleden gestookte Schiedamse jenever tot me. Op Siep. Dat is genoeg. Na de troost, die trein en advertentie me gunden.

 

Laat een reactie achter

* = verplicht