De boktor (Greetje van den Berg)

DE BOKTOR

Wij zijn de weg kwijt.
Thieme geeft mij de schuld. Ik weet zeker dat het aan hem ligt, maar laat zwijgend zijn verwijten over mij komen. Meedogenloos prikt de zon in mijn gezicht. Onder de zware rugzak met Thiemes fotoapparatuur, voelt mijn shirt nat aan. ‘Geef me maar wat drinken,’ zegt hij en hij laat zijn smalle achterwerk op een steen zakken, wrijft met een hand steunend over zijn rug.
Daarom kan Thieme zelf de tas niet dragen. Zijn rug speelt weer op. Als ik het gevaarte op de grond heb gezet, zoek ik naar de fles die ik vanmorgen in onze hotelkamer heb gevuld met water. Hij steekt zijn hand uit en ik wacht, nog nahijgend van de zware klim. Ik heb me omgedraaid, voel de zon nu op mijn kuiten. Thieme heeft altijd van mijn stevige benen gehouden. Tegenwoordig beweert hij dat ik te dik ben.
Ik kijk naar zijn adamsappel die schokkend op en neer gaat. Onder zijn magere arm tekent zich een grote vochtplek af. Zwijgend overhandigt hij me nu de fles en ik drink gulzig van het lauwe water. Zorgvuldig draai ik de dop er weer op en kijk om me heen. De bergen lijken minder vriendelijk dan vanmorgen toen Thieme en ik welgemoed vertrokken. We volgden de rode stippen die ons naar de top van de Lämpersberg moesten leiden. Ik bewonderde het uitzicht. Thieme zag alleen de grond. Met zijn vingers peuterde hij in de aarde, met een stokje in de mesthopen, op zoek naar kevers en ander ongedierte. Insecten zijn Thiemes levensvulling. Zijn studeerkamer hangt vol foto’s en zwarte lijsten met geprepareerde exemplaren. Nooit trekt hij er zonder fototoestel en stikpotje, gevuld met watten en gips, op uit. Op die watten heeft hij ethylacetaat gespoten. Het luistert nauw om de dieren lang genoeg in de pot te houden. Thieme heeft er een hekel aan als ze naderhand weer bijkomen.
Zijn zwijgen begint verstikkend te worden. ‘Zullen we verder gaan?’ stel ik daarom voor. Zonder iets te zeggen, staat hij op en vervolgt de weg.
Ik blijf staan. Hij kijkt niet om. ‘We moeten terug,’ zeg ik. ‘Deze weg leidt tot niets.’ Thieme houdt zich doof. Ik herhaal mijn woorden maar hij loopt door. Met de moed der wanhoop sjor ik de rugtas weer om. Ik wilde dat Thieme die boktor niet had gezien.

Thieme had die boktor wel gezien, op het moment dat hij over het bruggetje over de smalle stroom liep. Thieme liep voorop, zijn hoofd gebogen als altijd. Ik schrok toen hij plotseling stilstond, botste tegen hem op en bijna vielen we in het ijskoude water. Normaal zou hij schelden. Nu wees hij me op het insect op de leuning, met de metaalglanzend groene vleugels. Hij verhief zijn stem om boven het ruisen van de beek uit te komen. ‘De aromia moschata,’ hoorde ik hem zeggen. ‘Wat een schoonheid, kijk die lange tasters. Wat een zeldzaam fraai exemplaar.’ Hij raakte in vervoering, hield mij met gestrekte arm op afstand. ‘De aromia moschata wordt ook wel rozenboktor of muskusboktor genoemd. Dat laatste heeft te maken met de smerige muskusgeur die hij weet uit te scheiden in tijden van gevaar. Wat een beauty, dat ik die hier in Oostenrijk nu tegenkom. Geef me mijn pot zodat ik het beestje snel en pijnloos naar de andere wereld kan helpen.’ Voorzichtig liep ik terug, ontdeed mij van de rugzak. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe Thieme gebogen over de boktor bleef staan met zijn arm naar achteren gestrekt. De vingers van zijn hand bewogen heen en weer, een woordeloos gebaar voor ‘Schiet eens op!’ Met het warme potje liep ik terug de plank op. Thieme liep een eindje door en draaide zich om. Nu had ik het volle zicht op de grote liefde van mijn man die zich schaamteloos bevallig in de zon exposeerde. Ik stelde mij voor hoe het beestje over enkele seconden bedwelmd zou worden om te eindigen in een zwarte lijst. Misschien kwam het daardoor dat ik bijna struikelde, mij nog net kon vastgrijpen, vlak naast de muskusboktor die verschrikt het luchtruim koos. Thieme was woedend. Ik voelde mij vreemd opgelucht.

Thieme heeft mij gestraft met zijn zwijgen. Hij is alleen nog eens woedend uitgevallen toen bleek dat wij verdwaald waren. Nu loopt hij voor mij uit en ik volg, tegen beter weten in. Ik spreek hem niet tegen als hij een smal pad kiest. Ik weet zeker dat ook hij het bordje “Betreten auf eigene Gefahr” heeft gezien. Twintig jaar huwelijk met Thieme heeft mij geleerd dat tegenspreken verspilling van energie is. Zo’n drie meter afstand scheiden ons. Ik hoor hem hijgen, zie zijn magere benen boven de dure bergschoenen. Geld noch moeite wordt gespaard om zijn hobby te beoefenen. Alleen het beste is goed genoeg. Wij bezuinigen op al het andere.
Het pad is smal en steil. Zweet loopt in straaltjes langs mijn rug. Ik moet rusten en daarom roep ik, maar Thieme hoort niets. De afstand tussen ons wordt groter. Het is of hij sneller klimt. Even later verdwijnt hij achter de bomen. Ik kan niet anders dan stoppen. Nog even hoor ik zijn voetstappen, dan treedt de stilte in. Ik drink de laatste slokken water uit de fles en wacht op zijn terugkeer, op het ongerust roepen van mijn naam, op zijn woedend: ‘Waar blijf je nou?’
De stilte blijft en ik wil opstaan en hem volgen, maar ineens zie ik voor me waartoe dit pad zal leiden. Thiemes zwijgen zal aanhouden. Elke avance van mijn kant zal stuklopen op zijn afwijzing. Ik zal smeken om een woord van hem, ik zal hem vleien. Hij zal mij verstikken met stomheid.
Ik sta op en daal zonder rugzak het smalle pad af. Zo bereik ik de weg die wij net verlaten hebben. Zonder aarzelen kies ik voor dezelfde route in omgekeerde richting. Zowel het klimmen als het dalen gaat mij makkelijker af. Het is of elke stap, die mij verder van Thieme verwijdert, lichtvoetiger wordt. Alsof ik vleugels krijg en het luchtruim kies.

 

Reageer (alles openbaar behalve email adres):

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *