Bijna negentig jaar (Laura Reedijk)

BIJNA NEGENTIG JAAR

Het opstaan gaat elke dag moeilijker. Het leven wordt elke dag moeilijker. Van leven alleen word ik al moe. Ik kan er niets meer bij doen.
Eindelijk zit ik in mijn stoel. Met m’n looprekje ben ik er naar toe gelopen. Nee, ik heb me erheen gesleept. Maar ik moet volhouden.
Soms zou ik liever in bed blijven liggen. Maar dat is uitgesloten in dit huis. Betty kwam zostraks met een opgewekt gezicht binnen en riep: Mevrouw Aalbers, ik kom u helpen met aankleden! Dat is maar goed ook, anders zou ik geheel in lethargie verzinken.
Ze heeft me ook gedoucht. Ik schaam me nergens meer voor. Dat leer je wel af. Op het krukje zittend heb ik me af laten wassen. Ik zag alle plooien in mijn buik, ik zag mijn stakerige benen en mijn voeten met de hard geworden nagels die ik zelf niet meer kan knippen.
Betty is een aardig kind. Ze heeft zachte handen. Ze zou mijn kleinkind kunnen zijn. Maar kinderen heb ik nooit gehad en kleinkinderen dus ook niet. Ik kon geen kinderen krijgen – of kwam het door mijn man? In die tijd was er zoveel schaamte. We hebben er nooit onderzoek naar laten doen. We spraken er met elkaar ook niet over. En we gingen ook steeds minder met elkaar naar bed.
Wat wist ik eigenlijk van mijn man. Hij had zijn werk en ik het mijne. Ik gaf pianolessen aan huis. Hij zat op kantoor en ’s avonds zaten we allebei te lezen. Of we gingen uit, naar een concert of naar de schouwburg. Soms ontvingen we vrienden of gingen zelf op bezoek. Niet vaak.
Vergeleken bij veel anderen waren we niet ongelukkig. We hadden dezelfde interesses, we hielden allebei van muziek en van kunst. Maar gelukkig waren we niet. We hielden het uit met elkaar. Ruzie maakten we eigenlijk nooit. Hadden we maar eens ruzie gemaakt, dan hadden we ons ook kunnen verzoenen. Maar ook dat hoefde niet.
Nu zit ik maar zo’n beetje te peinzen. Ik heb een mooie grote kamer met uitzicht op een prachtige beuk. Maar mijn ogen worden slechter. Ik kan niet meer goed in de verte zien. En langzamerhand geef ik niet eens meer zoveel om de natuur.
Ik zou zelfs liever een kamer aan de straat hebben. Dan hoor je nog eens een auto voorbij komen, je ziet mensen langs lopen. Er beweegt tenminste iets.
Vroeger heb ik veel gefietst. Vaak hield ik het in huis niet uit, ik móest even weg. Ik fietste soms heel haastig weg, hopend geen bekenden tegen te komen. Ik verstopte me een tijdje in het bos, waar niemand me kon zien. Ik ging even op een bankje zitten. Ik hoorde de wind in de bomen. Een ekster riep. Ik rook de geur van de vlier.
Nu kom ik het huis niet meer uit. Mijn nicht komt wel eens op bezoek. Ze wil wel met me wandelen in een rolstoel van het huis. Eén keer heb ik haar laten begaan. Dat doe ik nooit meer. Zij wist niet goed hoe ze die rolstoel moest duwen, vooral om van een trottoir af te komen was moeilijk. Ik kreeg het gevoel dat ik er voorover uit zou vallen. Het oversteken vond ik ook verschrikkelijk. Ik zag ze niet goed maar ik hoorde al die auto’s en was bang. Ik durfde me niet over te geven. Ik zat voortdurend verkrampt en smeekte mijn nicht terug te gaan. Ik zei dat ik me niet goed voelde.
Nu ben ik bijna negentig, zo oud, zo bang en zo alleen.
Mijn man is al jaren dood. Voor hij stierf zei hij: wat zal jij eenzaam zijn, als ik er niet meer ben.
En ik ben eenzaam nu hij er niet meer is, maar eigenlijk ben ik mijn hele leven eenzaam geweest, als kind al.

Daar komt Frederieke met de koffie: ‘Mevrouw Aalbers, uw koffie!’, roept ze te hard. Zó doof ben ik nu ook weer niet.
Ze heeft de koffie neergezet op het tafeltje naast mijn stoel. Nu moet ik proberen die zonder morsen op te drinken. Ik moet niet te lang wachten, anders is de koffie koud. Nu moet ik niet vergeten dat die koffie er staat, anders krijg ik straks weer een opmerking. Ze doen er te veel melk in. Ik heb er wel eens iets van gezegd, maar het schijnt niet anders te kunnen.
Waarom leef ik zo lang. Waarom moet een mens zo afhankelijk worden.
Als ik die koffie op heb wil ik me naar mijn schrijftafel begeven. Gewoon gaan gaat niet.
Daar liggen de aantekeningen die ik gisteren heb gemaakt. Die wil ik uitwerken. Hoe heb ik vroeger toch al die artikelen kunnen schrijven? Het kostte me wel moeite, maar nu is het een grote inspanning geworden. En toch geeft het nog enige zin aan mijn leven.
Het valt me zwaar om iets op te zoeken. Ik zie het zo slecht. En sinds de verhuizing naar dit huis staan alle boeken door elkaar. De verhuizers hebben ze maar zo in de kasten gekwakt. Zelf kan ik ze niet meer ordenen. Soms vind ik per ongeluk een boek dat ik zoek. Een enkele keer helpt mijn nicht mij zoeken. De meeste naslagwerken zijn nu voor mij ook te zwaar om uit de kast te tillen. Ik moet mij met één hand aan mijn looprek vasthouden.
Aan een computer ben ik nooit begonnen.
Toch is dat het enige dat mij op de been houdt: creatief zijn, schrijven. De piano heb ik al lang weg gedaan. Mijn vingers konden het niet meer.
Ik heb aan een oude vriend beloofd om mijn belevenissen in de oorlog op te schrijven. Zijn brief heeft mij erg bezig gehouden.
Al die herinneringen die boven komen. Ik heb geen toekomst meer, alleen verleden.

Wordt daar gebeld? Is het de telefoon? De soep alweer. Goddank heb ik de koffie op. Is de morgen alweer bijna om? Het is bijna twaalf uur. Straks kan ik weer naar bed, Zou er vanmiddag iemand komen?
Ik moet de planten water geven. Laat ik dat in ieder geval nog doen. Of zal ik het aan een van de meisjes vragen? Zij hebben altijd haast. Maar zelf giet ik ernaast. Eer ik de gieter heb gevonden, eer ik die met water heb gevuld, eer ik bij de planten ben met dat zware ding…
Zou er wel iemand begrijpen wat een hels karwei het leven is, als je bijna negentig bent?

Reageer (alles openbaar behalve email adres):

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *